
Zeeschuim en Voorouders
Vandaag zit ik aan de vloedlijn.
Ik bezoek er mijn moeder die gekozen heeft om er eeuwig te verblijven tussen rots en zee.
“Gij zijt mijn lang leven” sprak ze de Zee wel eens toe.
Ik kijk naar hoe het Water haar ding doet dansend met het wonder van het vormelijke.
“Waar zit jouw vol geluk” hoor ik Undine vanuit Kaapstad echoën.
Hier stroomt het.
Zittend, starend naar de structuren die zich vormen in zeeschuim.
“Het Water is de vaste vorm van Tijd”, zo vertellen de Ouden ons dat.
Zeeschuim dat ontstaat in die golfslag van de Tijd, daar waar lucht en water, waar geest en tijd, elkaar aanraken.
Voorouders, algen die ooit bloeiden en stierven, zichtbaar worden in de wonderlijkste structuren op deze zonnige dag.
Terwijl ik kijk, vraag ik me af: als dit is wat zichtbaar wordt, hoeveel blijft er dan onzichtbaar? En wat vraagt dat van mijn manier van kijken?
Ik voel de impuls om dieper te gaan, om verder te reiken dan wat zich toont.
(wat kan ik me verliezen in meer en dieper)
Dan komt er een golf, het beeld wordt gewist.
Wat blijft er dan nog over, hier, nu?
Enkele schelpen herschikken zich.
Voormoeders, moeders, zijn jullie hier?
Ama?
Jasmine
